God aan de telefoon
Gisteren was ik aan het stofzuigen, terwijl Timo bij ons in de slaapkamer samen met Luuk aan het spelen was. Op een gegeven moment komt hij samen met Luuk aanlopen. Er staat wat te gebeuren. Hij heeft onze oude mobiel in zijn handen, die hij in een van de slaapkamerkastjes heeft gevonden. Hij zegt iets, maar ik versta hem niet goed. Ik zet de stofzuiger uit en kijk hem vragend aan. "Ik heb de Here God aan de telefoon," zegt hij nog een keer en drukt de telefoon in mijn handen. "Hij wil met je praten." Luuk kijkt bevestigend toe alsof ook hij zeker weet dat de Here God mij iets wil zeggen.
"Wat wil de Here God dan tegen mij zeggen, Timo?" vraag ik, terwijl ik de mobiel aanpak en bij mijn oor houd. "De Here God wil een watje worden," hoor ik Timo zeggen. "Huh? Wat zeg je nou, Timo?" vraag ik vol verbazing. "De Here God wil in je hartje wonen," roept Caroline vanuit de badkamer met Timo in koor. "O… wauw! Da’s heel mooi, Timo, om te horen dat de Here God in mijn hartje wil wonen," antwoord ik nu ik goed versta wat hij zegt. "Hij woont er al ook een tijdje. Weet je ook wat de Here God doet wanneer hij in je hartje woont, Timo?" vraag ik hem. "Dat weet ik niet," zegt hij op de manier wanneer hij soms wel iets weet, maar het niet goed onder woorden kan brengen. "Hij helpt je die dingen te doen, die hij fijn vindt, en die jij ook fijn vindt," flap ik er uit. "En hij helpt je om goed voor anderen te zorgen." Hij kijkt mij aan of ik net een vreselijk open deur ingetrapt hebt. [Later besef ik mij dat mijn spontane antwoord eigenlijk niets anders is dan de samenvatting van de bijbel: "Heb God lief boven alles en je naaste als je zelf." (Matteüs 22:34-40) Hoezo open deur?] "Weet je wat de Here God tegen jou wil zeggen, Timo?" vraag ik hem. "Nee, papa." "Dat hij heel veel van jou houdt en je een dikke knuffel wil geven," waarop ik hem de telefoon terug geef en hem een dikke knuffel geef. Dan – met een big smile – draait hij zich om en loopt – wederom met Luuk aan zijn zij – naar Caroline, waar het gesprek zich ongeveer herhaalt.
Later vraag ik hem nog: "Timo, moet de Here God nog in je hartje komen wonen of woont hij er al?" "Al een klein beetje," zegt hij met het grootste zelfvertrouwen en gaat weer verder met spelen. "Heel mooi, jongen." zeg ik terwijl ik verder ga met mijn huishoudelijke taken. "Ik ben heel blij dat te horen."
